Waar gaat de wereld heen?

Waar gaat de wereld heen?

30 maart 2021 Artikelen Blog 0
Afbeelding bij artikel 'No counrtry for old men'
Delen via:

No Country for Old Men

“Ik dacht dat God in mijn leven zou komen, als ik ouder werd. Niet dus”, mijmert sheriff Ed Tom Bell (Tommy Lee Jones) in No Country for Old Men (2007). De Coen brothers hebben, als je het mij vraagt, veel meesterlijke films gemaakt waarin menselijke onmacht de hoofdrol speelt, maar No Country for Old Men is de meest verontrustende. Kun je in Fargo nog lachen om het zinloos gespartel van de karakters tegen de achtergrond van die desolate, onmetelijke leegte, hier vergaat je de lach en blijft alleen nog de onmetelijke leegte over. Die toont zich in deze film niet zozeer in het landschap, maar in de plot zelf die elke menselijke hoop, angst of lijden volstrekt onbetekenend maakt. Alleen een verpletterende onrechtvaardigheid blijf over, waar je niets tegenin te brengen hebt. Dat onrecht heeft een naam: Anton Chigurh (Javier Bardem). Hoewel niemand schijnt te weten hoe je die naam precies uitspreekt.

In de plot van No Country for Old Men zijn toeval en onvermijdelijkheid innerlijk met elkaar verweven. Aan het begin stuit een zekere Llewelyn, op jacht nabij de Rio Grande, op een veld vol lijken achtergebleven na wat kennelijk een drugsdeal was die misging. Llewelyn gaat ervandoor met twee miljoen dollar, maar zijn grootste zorg lijkt niet te zijn dat de Mexicaanse drugsbende hem achtervolgt, er is nog iemand die erger is: Chigurh. Ik ken geen enkel ander filmkarakter van wie zo’n omineuze dreiging uitgaat als van Chigurh. Hij is een kille moordenaar die gewapend met een vee-pistool Llewelyn achtervolgt, en en passant nog een hele rits mensen afslacht met kalme, onverschillige vastberadenheid. Bijna al zijn slachtoffers noemen hem een gek, maar hij laat het van zich afglijden: ‘mensen zeggen altijd hetzelfde’. Chigurh is zo ondoordringbaar – er wordt ons geen enkel inkijkje in zijn psychologie gegund – dat je je er als kijker ook bij neer moet leggen dat etiketten als ‘psychopaat’ of ‘gek’ niet beklijven. Hij overstijgt ze, en dat is wat hem zo verontrustend maakt. Hij lijkt niet echt een man, maar een verpersoonlijking van een principe, de onontkoombaarheid van het lot.

De plot van de film doet ergens denken aan het bekende verhaal over de ‘Dood in Samarra’, waarin een man zijn dood probeert te ontvluchten. Hij ziet de dood de hand naar hem uitsteken op een markt in Bagdad, en vlucht ver weg naar Samarra, waar hij de dood opnieuw ontmoet. De dood zegt verbaasd te zijn geweest dat ze hem in Bagdad zag, wetende dat zij die avond een afspraak in Samarra hadden. Chigurh lijkt net zo onontkoombaar als de dood zelf. Hij is een schaduw die niet afgeschud kan worden, hoe hard men dat ook probeert. En net als de dood, lijkt hij de volgende zet van zijn tegenstander telkens op voorhand te weten. Wanneer een andere bountyhunter die ook achter Llewelyn aanzit, Chigurh ontmoet, probeert hij zijn leven te redden met de informatie over waar het koffertje met het geld zich bevindt. ‘Ik weet iets beter’, antwoordt Chigurh, ‘ik weet waar het koffertje morgen zal zijn’. Maar wat Chigurh nóg erger dan de dood maakt, is dat hij niet per se iedereen afknalt. Hij is bereid om er een muntje op te gooien.

Er is een pijnlijke scène aan het begin van de film, bij een benzinepomp, waarin Chigurh een moeizaam en naar gesprek voert met de eigenaar. Het woordenspel wordt dreigend, de eigenaar zichtbaar nerveus. De kijker anticipeert er al op hoe dit zal eindigen, maar Chigurh gooit zomaar een muntje op, en vraagt zonder verdere uitleg aan de man om kop of munt te kiezen. De man sputtert tegen, hij moet eerst weten waar het muntje om wordt gegooid, wat valt er te winnen? Chigurh is onverbiddelijk: ‘alles’. En terwijl je maag zich samentrekt wachtend op de ontknoping, blijkt dat de man goed heft gegokt en loopt Chigurh weg. De ontknoping brengt geen opluchting. De onvermijdelijkheid is alleen maar erger geworden, want het lot heeft twee gezichten, het is zowel toeval als noodzaak, en beide gezichten zijn beangstigend. Het lot maalt er niet om dat zij beangstigend is, ze is ver boven de mensen verheven.

Maar Chigurh is zowel een mens als het lot, althans, je weet het niet helemaal zeker, want het zou kunnen dat dit gewoon menselijke wreedheid is die zo groot is geworden dat je het niet meer kunt bevatten. Aan het einde van de film zoekt Chigurh de vrouw van Llewelyn op; Llewelyn is inmiddels al dood, bijna terloops vermoord door de Mexicanen ergens op driekwart van de film. Eén van de hoofdpersonen zonder enige drama afvoeren -je ziet hem niet eens sterven- draagt bij aan het gevoel dat zijn leven volstrekt onbetekenend is. Maar goed, Chigurh heeft, naar eigen zeggen ‘nog een belofte na te komen’, omdat hij eerder tegen Llewelyn heeft verteld dat hij zijn vrouw zou vermoorden, als hij niet zelf het koffertje brengt. Zonder emotie wil Chigurh nog een muntje opgooien, “this is the best I can do. De vrouw weigert: “Het muntje heeft er geen zeggenschap over, jij wel.”

De film speelt met de onontkoombaarheid van het lot, op allerlei manieren zie je niet wat er gaat komen, de karakters ook niet, en al zouden ze het zien, dan kunnen ze het niet tegenhouden. Denken dat je dat kan, dat is hoogmoed, zegt één van de ‘oude mannen’ tegen sheriff Bell in een dialoog die licht surrealistisch is, alsof hij uit een droom komt. Maar als contrapunt, een tweede stem, duiken in de film steeds verhalen op van andere wrede moorden die elke logica ontstijgen. De film begint met een voice-over van sheriff Bell waarin hij vertelt over een tienerjongen die hij heeft opgepakt, en die the chair kreeg voor de moord op zijn 14-jarige vriendin. “De kranten zeiden dat het een crime of passion was, maar de jongen zei dat het niets met passie had te maken. Hij zei dat hij erop aasde om iemand te vermoorden zolang hij zich kan herinneren. Hij zei dat als ik hem zou vrijlaten, hij weer iemand zou vermoorden. Hij zei dat hij naar de hel ging. Volgens hem zou hij daar zijn binnen 15 minuten.”

De verhalen over misdaad die niet meer te bevatten is, zijn verweven met het perspectief van Sherif Bell, een wetsdienaar van het oude stempel, die achter Chigurh en achter het geld aan zit. Maar het gaat hem niet van het harte af. Er is zowel berusting als een soort weemoed in zijn karakter; de tragiek van Bell is dat hij ziet hoe de wereld geworden is en dat hij weet dat hij daarin obsoleet is. No Country for Old Men kun je ook zien als een filmisch commentaar op de dood van een genre: geen westerns meer, geen sheriffs die boeven vangen, geen heroïek. Maar hoewel de Coens weinig medelijden lijken te hebben met hun karakters, is sheriff Bell daarop een uitzondering. Wij voelen zijn pijn. Ed Tom Bell weet het en ziet het allemaal, hij verbaast zich er niet meer over, en toch is hij niet cynisch geworden. In een scène in een diner, vertelt hij aan zijn hulpsheriff, terwijl hij zijn krant leest, over een groep jongeren die ouderen vermoordde en hun pensioenen inde. “Ze begroeven ze in hun achtertuin. En niemand zag daar iets vreemds gebeuren, niemand merkte iets op. Ze zijn betrapt omdat één van die ouderen de straat op rende, naakt, met alleen een hondenhalsband om. Waar gaat deze wereld heen?” De hulpsheriff lacht, Bell kijkt hem vermanend toe, maar zegt mild: “ik lach er soms ook om.” Juist doordat Bell noch cynisch is, noch helemaal ondersteboven, weet hij het morele perspectief van de film overeind te houden. Want hoe klein en onbeduidend mensen ook zijn in deze film, onrecht is pas zichtbaar als iemand het aanklaagt.

Toch is het aan de Coens om elk perspectief dat ze opwerpen, op zijn minst ook een tikje te geven. En hoe erg hun verhalen ook mogen zijn -waar gaat de wereld heen- er is aan de andere kant slechts oude mannen gemopper. Sheriff Bell wordt op zijn plaats gezet door een vriend, na zijn gemijmer over dat god niet in zijn leven was gekomen. De vriend vertelt over de dood van zijn oudoom Mac, die zomaar op zijn veranda werd neergeknald aan het begin van de eeuw. “Dit land is hard voor mensen”: de wreedheid is misschien niet nieuw, misschien was het er altijd al, en zijn wij altijd onbeduidend geweest. Het is een conclusie die lastig is om te verteren, want je kan misschien wel vrede hebben met de dood, een volstrekt zinloze dood is een heel andere zaak. Zoals sheriff Bell aan het begin van de film zegt: “Je moet bereid zijn om je leven te verliezen in dit werk, maar je moet je ook niet inlaten met iets dat je helemaal niet begrijpt, want dan verspeel je je ziel.” Het verontrustende van No Country for Old Men is dat het laat zien hoe makkelijk dat kan gebeuren. 

 Ivana Ivkovic is filosoof en groot filmliefhebber